Auteursarchief: Klokwerk

Datamining: verborgen schatten en valkuilen.

Datamining Zoekt en gij zult vinden. Het credo van datamining, het engelse woord voor spitten. Spitten in gegevens en gebeurtenissen. Met als doel er nuttige conclusies uit te trekken. Schatgraven in grote hoeveelheden informatie. Het geeft inzicht in wat er gebeurt. Het kan helpen antwoorden te geven op vragen als: waarom gebeurt iets of wat is er nodig om gebeurtenissen een andere wending te geven. Is datamining het ultieme hulpmiddel voor de maakbaarheid van de wereld?

Tussen 2002 en 2005 zond de NCRV de Amerikaanse
politieserie The District uit. Daarin stuurde hoofdcommissaris Jack Mannion zijn mensen aan met nieuwlichterij: CompStat. Een computerprogramma dat de criminaliteit in Washington in beeld bracht en waarmee Jack Mannion precies wist waar hij zijn korps op af moest sturen. Datamining om criminaliteit aan te pakken.

Het is 2010. Wikileaks stort een immense hoeveelheid data de wereld in: cablegate. Berichten die Amerikaanse diplomatieke diensten opstelden en waar heel de wereld nu in kan graven om daar conclusies uit te trekken. De Amerikaanse overheid had
de conclusie al klaar: die informatie brengt levens in gevaar. Anderen menen dat met de openbaarheid van deze informatie de ware aard van de Amerikaanse diplomatie geduid kan worden.

Nu het met zoekmachines betrekkelijk snel en eenvoudig informatie vergaren is en met uitgekiende software het even betrekkelijk eenvoudig wordt verbanden te leggen, wordt datamining steeds meer een instrument om beleid te ontwikkelen. Stop de data in
een beslissingsboom en de computer schotelt je een aantal oplossingen voor. Hou het gedrag van winkelend publiek bij en een supermarkt weet hoeveel bier het op vrijdag in voorraad moet hebben. Of bekijk de ongevallenstatistieken in de winter en je weet hoe druk het op de spoedhulp gaat worden en welke letsels het meest behandeld zullen worden.

Dat is allemaal heel praktisch en tamelijk onschuldig. De hoeveelheid data is echter zo groot dat het nog een hele kunst is ze ook goed te interpreteren en te gebruiken. Niet alleen moeten de data zelf juist en volledig zijn, de vraag is ook of die interpretaties en dat gebruik net zo neutraal zijn als de koele cijfers op zich. En zelfs als dat allemaal in orde is, wat doe je er dan mee?
Op mijn werk sla ik de manager om zijn oren met groeiende bezoekersaantallen, data over de hoeveelheid en aard van incidenten. Met als doel een kwantitatieve en kwalitatieve bezetting van het personeel te eisen, om de veiligheid van collega’s en cliënten te waarborgen. De manager slaat terug met onderzoekscijfers die aantonen dat veiligheid in veel gevallen vooral een gevoel is en niet op werkelijke onveiligheid berust. Datamining als strategisch middel. Resultaat? Er verandert niets aan de personele bezetting. Of jawel, er wordt bezuinigd op personeel.

In de discussie over het klimaat gaat het er nog bonter aan toe. Data vliegen over en weer om aan te tonen dat de menselijke factor wel of niet relevant is voor de klimaatverandering. Hier moet dus eerst de opinie over de relevantie van data worden uitgevochten. Wie zich het rapport van de
Club van Rome herinnert, weet dat de wereldwijde schok die deze gegevens veroorzaakte wel tot enig besef leidde over een ander rentmeesterschap over de aarde, maar dat we nu nog ver verwijderd zijn van definitief afdoende oplossingen.

Zolang de valkuilen van schatgraverij niet zijn gedicht, mogen we van datamining geen wonderen verwachten. Valkuilen als onvolledige data en software die verbeterd moet worden, zijn wellicht te vermijden door voortschrijdend inzicht en technologie. Maar hoe dicht je de valkuil van de menselijke factor? De factor die zo zijn eigen doelen kent. Die met zijn eigen opvattingen de interpretaties stuurt?

Naast de hoop data, is er nog altijd ook de hoop van de menselijke factor. De hoop dat we uiteindelijk beter van onze eigen data leren. Die hoop moet de
collega’s van Sargasso hebben gedreven om tot het Dutch Open Data Lab te komen. Met zijn allen aan de slag met alle beschikbare data. Alleen al een mooi initiatief om dat je zo de beschikking kan krijgen over middelen om bijvoorbeeld “op humoristische wijze een punt te maken”, schrijft Sargasso.

In de maakbaarheid der dingen, hebben overheden, managers, marketingstrategen en “gewone mensen” één ding met elkaar gemeen: allemaal knutselaars. Knutselen met data om je punt te maken. Eens kijken wie er wint?

Temperatuur leidt tot werkdruk

IJsscherm Het was ineens zover. Eerst het ijs van het scherm krabben, om aan het werk te kunnen gaan. Dat betekent dus voortaan rekening houden met wat extra werkdruk. Niet erg, van drukte krijg je het warm. Kortom, het is prima werkweer.

Daar moet je ook weer niet te licht over denken. Britse wetenschappers ontdekten dat elke temperatuursverandering van 5 graden, al heel wat gevolgen kan hebben. Bijvoorbeeld op de afdeling spoedeisende hulp van de ziekenhuizen. Hun conclusie: hou de temperatuur in de gaten en je kunt het aantal gewonden voorspellen. Leuk taakje voor de roosteraar (meer
op BBC News).

In de zomer krijgt een ziekenhuis veel meer gewonde kinderen binnen, dan in de winter. Logisch. Buitenspelen is nu eenmaal reuze gevaarlijk. Maar de winter kan ook tot piekdrukte leiden. Elke temperatuursdaling van 5 graden betekent drie procent meer gewonde volwassenen.
’s Zomers is er dus meer werk voor kinderspecialisten. De geriaters kunnen ’s winters menig gebroken heup opvangen. De kinderartsen kunnen in december rustig op skivakantie. De overige collega’s gaan in juli lekker kamperen.

De Britse voorzitter van de Raad voor Spoedeisende Hulp wist al dat sommige weersomstandigheden tot een toename van bepaalde letsels kunnen leiden. Of je ook de personele bezetting er goed op kunt afstemmen, betwijfelt hij. Zeker, er is wat meer drukte op de eerste hulp in de winter. Maar echt veel rustiger is het ’s zomers nou ook weer niet. Toch denkt hij dat er enig nut in het onderzoek kan zitten, om de eerste hulpstaf wat beter af te stemmen op het weer.

Dat zou breder toegepast moeten worden. Zelf heb ik het niet zo op de winter. Geef mij maar een winterslaap of een vakantie in een warm oord. Zouden er zomer- en wintertypes zijn onder de mensen? Net zo als er A- en B-types zouden zijn?
In Denemarken ijvert Camilla King voor een vrije keuze in werktijden voor ochtend- en avondmensen. Laat ieders eigen bioklokje de werktijden bepalen, Mensen met een ochtendhumeur presteren later op de dag veel beter. Vroege vogels zijn op hun best als ze de zon op zien komen. Goed voor verbetering van ieders productiviteit, dus voor de economie.

Werken in de winter is voor veel mensen helemaal niet zo gezond. Opstaan terwijl hert nog donker is, dat klopt niet met de biologische klok. Lijkt me niet goed voor hart- en bloedvaten. En al zou je bij ijzel zonder ongelukken op je werk arriveren, daar loop je droge ogen en neus-en keelholtes op omdat de verwarming staat te loeien. En dan heb ik het nog niet over de jaarlijkse wintergriep.
Maar okee, koudweerliefhebbers zullen het een leuke tijd vinden. Rooster die dan in de koude maanden in. De bibberende stakkers mogen dan op zomervakantie.

Even een polletje. Wanneer ben jij op je best? ’s Zomers of ’s winters?

Met welke prestaties maak je bezuinigingen ongedaan?

Boerenmelk Boerenland wordt onder water gezet. Uit landsbelang. Boeren zetten land onder melk. Uit eigen belang. Welke van de twee is de grootste maatschappelijke prestatie?

Een overheid zit natuurlijk niet te wachten op protesterend volk. Met de beloofde 3000 man extra politie knuppel je dat zo weer van het Malieveld af, maar zulke taferelen leiden alleen maar tot imagoschade. De overheid wil twee dingen: 18 miljard bezuinigen en 0 imagoschade.
Naast vervelende bezuinigingen komt de overheid dan ook graag op voor bevolkingsgroepen die het toch al zo moeilijke hebben. De boeren bijvoorbeeld.

Het maatschappelijk belang van de Nederlandse boer wordt steeds kleiner. Dat wil zeggen: als het om hun oorspronkelijke functie gaat. Elk nadeel heeft een voordeel. Als een boer minder voort moet ploegen, houdt hij tijd over voor maatschappelijke prestaties. Dat is dus niet het volk voorzien van boter, kaas en eieren. Maar, bijvoorbeeld, landschapbeheer. Goed voor de natuur in het algemeen en de biodiversiteit in het bijzonder.
Afgelopen vrijdag klapte het kabinet uit de ministerraad: De bestaande directe betalingen aan de boeren moeten doelgerichte betalingen worden. Agrariërs worden dan beloond voor prestaties op het gebied van milieu, dierenwelzijn of landschap- en waterbeheer.

Bedoeld wordt dat de Europese subsidies om de boerenstand overeind te houden, direct gerelateerd worden aan maatschappelijke prestaties die juist boeren zouden kunnen leveren.
Maatschappelijke prestaties zijn bijdragen die worden geleverd aan maatschappelijk relevant geachte zaken en tot het werkterrein van een bepaalde sector kunnen worden gerekend. Zo is verbetering van de leefbaarheid van wijken en buurten een maatschappelijke prestatie die woningbouwcoörporaties kunnen leveren. Banken die niet investeren in wapenhandel of door kinderarbeid gedreven industrieën, maar juist in handel die zulke zaken vermijden, leveren daarmee ook een maatschappelijke prestatie.

Het kabinet wil een beloning voor maatschappelijke prestaties van boeren, begin het persbericht uit de ministerraad. Bij het woord ‘beloning’ denk je aan iets extra’s. Dat is hier dus niet het geval. Een deel van de al bestaande subsidies, moeten verstrekt worden als boeren een maatschappelijke prestatie leveren. Een andere manier van compenseren.
Er is land nodig om waterbuffers te creëren, anders krijgen we te vaak en te veel natte voeten. Dan wordt natuurlijk niet de stad onder water gezet, maar hele lappen boerengrond. De boer die daar zijn land voor vrij geeft mag dus ‘beloond’ worden, vindt het kabinet.

Mooi idee, waar wel meer mee kan. Voorbeeldje. Mijn werk bestaat eruit de overlast veroorzakende daklozen van de straat te houden en ze te resocialiseren. Dat is aardig gelukt de laatste jaren, maar er dreigt flink de klad in te komen dankzij gaande en komende bezuinigingen. Nu kan ik aantonen dat we de overlast duurzaam hebben teruggedrongen en dat veel daklozen inmiddels ook even duurzaam een maatschappelijk relevante dagbesteding uitvoeren (uw parken en stoepen waren nog nooit zo schoon). Kunnen we nu een beloning krijgen voor deze maatschappelijke prestaties?

Drie vliegen in één klap. De reeds behaalde doelen kunnen we verbeteren en het voorkomt ontslag van collega’s, waarmee we een bijdrage leveren aan de werkgelegenheid.

Kijk, zo maak je bezuinigingen weer ongedaan. Iemand nog meer ideeën welke maatschappelijke prestaties een beloning verdienen?

Het perfecte ziekenhuis.

Hospitaal Het perfecte ziekenhuis is er eentje zonder patiënten en zonder personeel. Dat is perfect, want in zo’n ziekenhuis kunnen geen fouten worden gemaakt. Onzinnige stelling? Zeker, maar de nieuwe minister van Volksgezondheid vindt dat het snel afgelopen moet zijn met medische missers in ziekenhuizen. Bijna 2000 mensen per jaar overlijden als gevolg van fouten.

De minister baseert zich op een onderzoek van het Nivel, waarin valt te lezen dat het aantal “vermijdbare doden” in vier jaar tijd met 225 gevallen is toegenomen. Ondanks meer aandacht voor de patiëntenveiligheid. In 2008 overleden 1960 patiënten door onnodige fouten. Het Nivel stelt in haar rapport dat er in 2008 ruim 1,3 miljoen ziekenhuisopnames waren. In 0,15% van die gevallen loopt het dus onbedoeld slecht af.
Een percentage om wakker van te liggen? Ja, elke fatale fout is er een teveel. Maar de cijfers tonen wel aan dat het lang geen slagveld is in de Nederlandse ziekenhuizen.

Het
Nivelrapport (pdf!) is tot stand gekomen door een steekproefgewijs onderzoek bij een aantal ziekenhuizen. Men heeft de zogenaamde zorggerelateerde schade in kaart gebracht. Ofwel alle schade die patiënten oplopen tijdens de zorg in ziekenhuizen. Nu worden alle onbedoelde en negatieve effecten als zulke schade gezien. Een deel daarvan wordt in het rapport betiteld als potentieel vermijdbare schade. Schade als gevolg van wellicht onnodige fouten. Het rapport vergelijkt de cijfers uit 2008 met die van een eerder onderzoek uit 2004.

Het Nivel rekent de steekproefgewijs gevonden schade om naar alle ziekenhuizen en relateert dat aan de 1,3 miljoen ziekenhuisopnames in 2008. Jammer dat in het rapport nergens het aantal opnames uit 2004 zijn te vinden. Die halen we dan maar uit de Dutch Hospital Data (DHD), die
kengetallen van de Nederlandse ziekenhuizen (pdf!) vanaf 2005 op een rij heeft staan.
De DHD telde in 2005 ruim 1,6 miljoen opnames en in 2008 ruim 1,8 miljoen. Over die drie jaren was er een gemiddelde groei van 3,1 procent.
Het Nivel stelt dat er tussen 2004 en 2008 een stijging van 2,3 procent aan zorggerelateerde schade was. De potentieel vermijdbare schade steeg met 2,9 procent. Verhoudingsgewijs lijken de ziekenhuizen de schade dus redelijk binnen de perken te houden.

Een paar andere opvallende cijfers uit het rapport. Van alle patiënten die mogelijk te voorkomen schade opliepen (2,9 procent op het totaal opnames), hield 60% er geen blijvende schade aan over. Tien procent overleed tengevolge van schade en 5% hield er blijvend letsel aan over.
Opvallend is dat algemene ziekenhuizen slechter scoren dan academische ziekenhuizen. De algemene ziekenhuizen zijn goed voor 8% zorggerelateerde schade, de academische ziekenhuizen doen het met 6,3% iets beter. Een pleidooi om het totale ziekenhuiswezen naar academisch niveau te tillen?

Wat zijn dan de oorzaken? Het grootste deel komt door menselijke fouten. Zeker 42% is een gevolg van tekortkomingen in kennis, gedragregels of vaardigheden. Meer dan de helft hiervan wordt als potentieel vermijdbaar ingeschat. Maar in 33,9% van de schade vormen patiënt gerelateerde factoren (o.a. therapieontrouw) de oorzaak en die worden als relatief onvermijdbaar gezien.
Technische oorzaken (bijv. haperende apparatuur) zijn voor slechts 4,1% de oorzaak. Op naar robotchirurgen dus?

Hoe kan zorggerelateerde schade worden voorkomen? De aan het onderzoek meewerkende beoordeelaars (verpleegkundigen en specialisten) verwachten veel meer van kwaliteitsbewaking, intercollegiale toetsing, verbeteren van procedures, reflectie (evalueren), training en motivatie dan van meer personeel en financiële middelen.
Dat mag opmerkelijk worden genoemd. Nu geloof ik ook wel dat twee hoogst deskundige en ervaren mensen minder fouten maken dan tien half opgeleide en onervaren mensen. Maar zou zelfs een kanjer foutloos te werk kunnen gaan als hij of zij van ’s ochtends 8 uur tot ’s avond 6 uur achter elkaar staat te opereren? Kan een prima verpleegkundige perfect werken als binnen het aantal afgenomen ligdagen er meer patiënten moeten worden geholpen?

Dat lijkt me sterk. Hulde aan de beroepsgroep, die de hand in eigen boezem steekt en ondanks tekort aan personeel en gestegen werkdruk, zichzelf wil verbeteren. Het zou de minister sieren als ze niet alleen de ziekenhuizen maant tot het rap terugdringen van medische missers, maar ze ook te hulp snelt met wat meer goed opgeleid personeel.

De onberispelijke sollicitant.

C.V. Hoe is het toch mogelijk dat sollicitanten die een politieke carrière ambiëren, door de mazen van de sollicitatieprocedures glippen? Een vraag die menigeen zich wellicht stelt, nu bekend is dat niet alleen bij de PVV, maar ook bij andere politieke partijen, Kamerleden met een “vlekje” in de bankjes zitten.

Volksvertegenwoordiger is niet zomaar een baantje. Houdt dat in dat er geen afspiegeling van “het volk” in de Kamer mag zitten? Er zijn, denk ik, meer mensen met een schoon c.v. dan lui die wat op hun kerfstok hebben, dus zouden er genoeg onberispelijke sollicitanten moeten zijn, om toch van een afspiegeling van de maatschappij te kunnen spreken. Hoe voorkom je dat er toch Kamerleden worden benoemd, wiens
verleden is besmet met een boete of een veroordeling?

De NVP (Nederlandse Vereniging voor Personeelsmanagement) geeft het antwoord:
gebruik de sollicitatiecode! In die code staat dat “kandidaten aan een organisatie de informatie dient te verschaffen die deze nodig heeft om een waar en getrouw beeld te krijgen van de geschiktheid van de sollicitant voor de functie”.
Da’s mooi, maar is iemand die een keer beboet is voor een snelheidsovertreding, geheel ongeschikt voor het ambt van volksvertegenwoordiger? Dat is een ethische vraag, die buiten beschouwing moet blijven tijdens een sollicitatiegesprek.

Het is voor werkgevers heel lastig om iemands doopceel te lichten. Behalve in een aantal uitzonderlijke gevallen, mag niet gevraagd worden naar medische en strafrechtelijke persoonsgegevens. De Wbp (wet bescherming persoonsgegevens) verbiedt dat. Een medische keuring of een verklaring omtrent gedrag mag alleen gevraagd worden met toestemming van de sollicitant en dan alleen nog als het relevant is voor de functie (meer op
juristenweblkog.nl).

Veel meer is er wettelijk niet geregeld. Daar waar de wet onvoldoende steun geeft, kan een gedragscode uitkomst bieden. De
sollicitatiecode (pdf!) zou dus uitkomst bieden, volgens de NVP. In die code staat, wat de Wbp al zegt: de werkgever mag alleen nadere informatie over de sollicitant napluizen met diens toestemming en louter in relevante zaken.
In artikel 4.4 stelt de code dat de sollicitant “een waar en getrouw beeld geeft van zijn vakbekwaamheid” en “geen informatie achterhoudt waarvan hij weet of behoort te weten dat deze van belang is voor de vervulling van de vacante functie waarop hij solliciteert”.

Verder geen details hierover. Het is dus aan de werkgever en de sollicitant om dat nader in te vullen. Nu blijkt dat als de pers je antecedenten onderzoekt, het verstandiger is de publiciteit voor te zijn. Het verweer dat met een betaalde boete of een afgehandelde straf een verleden als niet relevant beschouwd mag worden, doet voor volksvertegenwoordigers niet ter zake. Hier worden ongeschreven regels geschonden. Hoewel ongeschreven regels geen enkele wettelijke betekenis hebben, blijken ze reuze relevant in de actualiteit.

Nu kunnen er, als de werkgever er bewijzen voor heeft, arbeidsrechtelijke sancties volgen, als de sollicitant de hand heeft gelicht met zijn “waar en getrouw beeld”. Binnen de PVV weten de “onvolledige” Kamerleden
daar inmiddels van. Mosterd na het galgenmaal natuurlijk. De onberispelijkheid van de politiek heeft alweer een deukje opgelopen.
Hoe voorkom je dat? Een scherpere wetgeving of sollicitatiecode? Dat kan een lastige discussie worden, want aan welke criteria moet de onberispelijke sollicitant voldoen? Een kandidaat-Kamerlid afwijzen, omdat hij of zij zich in het verkeer niet heeft gedragen? Zo’n kandidaat heeft ongetwijfeld een van de 11,8 miljoen verkeersboetes gekregen. Of is het voldoende als de kandidaat dat keurig meldt in het sollicitatiegesprek?

Met regelgeving moet je oppassen. Scherpere regels kunnen tot scherpere leugens leiden. Voor je het weet zitten we met Kamerleden opgescheept die nog gewiekster met de waarheid omgaan, dan we van sommigen al zijn gewend.
Een sollicitatiecode speciaal toegesneden op volksvertegenwoordigers? Met in artikel 1: ik solliciteer volgens de waarheid en niets dan de waarheid?

En de winnaar is ….

Dutch Bloggies Elke vakantie weer, kort of lang, kom ik terug en kijk eens om me heen of er iets is veranderd. Dat valt meestal tegen. Alles als vanouds. Behalve vandaag.

Nog maar net bezig de blogs af te struinen en twitter te lezen, of daar is het bericht dat de Dutch Bloggies er mee gaat stoppen. Na tien jaar blogawards is soorten en maten, na tien jaar wisselende soorten prijsuitreikingen, na tien jaar even wisselende kritieken, wordt er nog eenmaal de blogger van het decennium gekozen en dan is het
over en sluiten maar.

Da’s toch jammer en ook weer niet. Jammer, want de mensen van de Dutch Bloggies deden wel hun best de blogwereld in de aandacht te houden. En daar hebben veel weblogs ook van geprofiteerd. Niet alleen de prijswinnaars, heel Neerlands blogveld was eenmaal per jaar in de aandacht.
Ongetwijfeld heeft het ook bloggers gemotiveerd door te gaan met wat ze ook maar deden of een nieuwe weblog te starten.

Het is ook weer niet jammer. Hoewel het aan een meer gedetailleerde motivering ontbreekt voor het stopzetten van de Dutch Bloggies, is hiermee wel voorkomen dat het een grijs instituut wordt.
Ach, het zou mooi zijn geweest als het was uitgegroeid tot een soort Oscarfestival der Nederlandse weblogs. Maar wie de Oscaruitreiking wel eens heeft gezien, moet toch erkennen dat het niet meer dan een avondje vermaak voor de inner circle is.
Dat was wel de waarde van de Dutch Bloggies. Bloggers, althans een aantal soms elkaar overlappende inner circles ontmoette elkaar op de prijsuitreiking en had er een leuke avond aan.

Na tien jaar hard werken, stopt de organisatie ermee. Voor dat harde werken mogen ze zeker bedankt worden. Ook voor de leuke avonden. Want het was even leuk om het hartgrondig eens of oneens te zijn met de uitslagen. Het was even leuk het smoel van een deel van bloggend Nederland eens van dichtbij te bekijken.

En dan te bedenken dat ik, net voor ik op vakantie ging, nog maar aan het begin sta van alweer een blogprijsje: de
Blogparel van het Jaar. Van een heel ander kaliber dan de Dutch Bloggies, maar het mooie daarvan is dat het wel een alternatief is voor de Dutch Bloggies.
Dit jaar, als dank, mogen we toch wel zeggen: en de winnaar is…… de Dutch Bloggies.

De Blogparel 2010 in aantocht

Blogparel De komende 7 dagen geen artikeltjes. Even eruit, een weekje vakantie.

Zoals gebruikelijk laat ik wat leesvoer achter. Over de Blogparel van het Jaar. Achter de schermen wordt al druk gewerkt aan de tweede editie van deze blogprijs.
Begin dit jaar werden de prijzen uitgereikt aan de winaars van de Blogparel van het Jaar 2009. De reacties waren dermate positief, dat de het niet bij die ene keer blijft. Waar gaat het om?

Dit weblog stelt een aantal prijzen ter beschikking voor specifieke pareltjes in de blogosfeer. We zoeken stukjes tekst, die de lezers aan het (glim)lachen brengen èn dan aan het denken zetten. stemmen. Die formulering is gejat van
de IG-nobelprijs, de humoristische variant op de echte Nobelprijzen.
De Blogparel is een gevatte zinsnede, een grap, een stukje satire, waarvan je al snel denkt: erg leuk, maar er zit wel degelijk iets in.

Het idee ontstond toen één van de juryleden van de Dutch Bloggies opmerkte, maar weinig echte pareltjes te zien onder de Nederlandse weblogs. Daar dacht ik iets anders over.
Nou zijn weblogs geen zeldzaamheid, de pareltjes die wij zoeken zijn dat wel. Ze kunnen op alle weblogs voorkomen. De Blogparel is bedoeld voor alle niet-commerciële bloggers, die zich uit de naad werken om hun publiek te informeren en te vermaken.
Bijzonder aan de Blogparel is, dat niet alleen de webloggers zelf in de prijzen kunnen vallen, maar ook hun reacteurs. De mensen die de moeite nemen de blogs te lezen en een reactie achter te laten. Daar zitten ook fraaie pareltjes tussen.
Er zijn wel een paar voorwaarden waar kanshebbers op de prijzen aan moeten voldoen. Die criteria vind je in dit stukje, waarmee de Blogparel 2009 van start ging.

Wie wil weten waar het allemaal omgaat, kan de komende week de volgende stukjes doornemen.
Bekijk eens de inzendingen voor de nominaties, om een idee te krijgen wat lezers van weblogs tot hun pareltjes rekenen.In de categorie weblogs rolden daar uiteindelijk deze genomineerden uit en in de categorie reacteurs waren dit de kandidaten.
De winnaars werden op 3 januari 2010 bekend gemaakt en eind januari werden de prijzen persoonlijk overhandigd. De Blogparel is de enige Nederlandse “blogaward” met echte prijzen. Geen oorkondes of eervolle vermeldingen, maar echt geld en waardebonnen.

Gedurende het afgelopen jaar hebben een paar lezers alweer nieuwe blogparels aangedragen. In december start de volgende ronde, waar je jouw pareltjes kan nomineren.
Deze keer zal een vakjury de inzendingen beoordelen. Die jury, moet ik bekennen, is nog niet bekend. Er zijn aardig wat “deskundigen” benaderd, maar tot nu blijken de gevraagde mensen geen tijd beschikbaar te hebben. We zoeken verder.
Natuurlijk zullen veel lezers ook een stem uit wil brengen, dus zal ook de Blogparel een publieksprijs kennen. Voor deze editie is het idee dat de prijsuitreiking ook door de lezers en inzenders bijgewoond kan worden. Zo rond het 5-jarig bestaan van dit weblog, ergens begin januari 2011. Ondertussen is er wat contact geweest met de organisator van een ander blogevenement. Er wordt nog over nagedacht de prijsuitreiking daarmee te combineren. In december zal er meer duidelijkheid worden gegeven.

Zo, je kan er al mee aan de slag. Ik ga een weekje bijkomen en dit blog eens van een afstandje bekijken.

De rol van de Koningin.

Monarchie De Tweede Kamer debatteert over de rol van de Koningin.

Minister-president: “Ik wil de geachte afgevaardigden er wel op wijzen, welke belangrijke rollen ons staatshoofd voor dit land speelt”.
Afgevaardigde 1: “Ah, u geeft dus toe dat het maar een spelletje is”.
Afgevaardigde 2: “Rollen, zei u? Rollen? Om hoeveel rollen gaat dat in hemelsnaam dan wel?”
Afgevaardigde 3: “Ja, ja, uit de kassarolletjes van commissie Zalm bleek al hoe duur dat theater is”.

Minister-president: “Ik geef niks toe. En, om maar eens een rol te noemen, zonder de koningin zouden wij geen monarchie zijn. Tevens wijs ik er op dat wij voornemens zijn op theater te bezuinigen”.
Afgevaardigde 1: “U geeft niks toe. Mooi, dat betekent dat u er ook niks aan afdoet”.
Afgevaardigde 2: “Maar wilt u dan de hoofdrollen van de bijrollen scheiden?”
Afgevaardigde 3: “En wat gaat dan de Rutte-norm voor een staatshoofd worden?”

Minister-president: “Ik ga hier geen woordspelletjes spelen. De monarchie is een rol, daar valt niets in te onderscheiden. En wat normen betreft: wij geloven in zelfregulering. De Koningin is prima in staat zichzelf te reguleren”.
Afgevaardigde 1: “Woordspelletjes? Maar wij worden toch geregeerd in naam van de Koningin? Als wij slechts in naam worden geregeerd, lijkt mij de conclusie gerechtvaardigd dat het maar een spelletje is”.
Afgevaardigde 2: “U bedoelt dat linten knippen even belangrijk is als lintjes uitdelen?”
Afgevaardigde 3: “Hoorde ik u nou zeggen dat de Koningin in prima staat is? Hoe komt dat? Mogen wij weten hoeveel onderhoudskosten daarmee gemoeid zijn?”

Minister-president: “Ik kan u wel zeggen dat ik het een hele eer vindt, in naam van de Koningin te regeren. Verder moet u de Koningin als één belangrijke rol zien. En afgevaardigde 3 raadt ik aan zijn oren beter te onderhouden”.
Afgevaardigde 1: “Gaat u mij nu vertellen dat u naar de pijpen van mevrouw de monarch danst?”
Afgevaardigde 2: “Nou ja zeg. Decorum is toch niets meer dan een rol behang? Dat noemt u belangrijk?”
Afgevaardigde 3: “Ik laat in ieder geval mijn oren niet hangen naar een rolmodel”.

Minister-president: “Ik kan u geruststellen. Ik kan absoluut niet dansen. En de rol van Hare Majesteit houdt de natie bij elkaar. Een rol waar afgevaardigde 3 nog een voorbeeld aan kan nemen”.
Voorzitter: “Geachte afgevaardigden, genoeg gezegd. Er staat nog meer op de rol, dus laten we overgaan tot stemming. Wie wil de rollen omdraaien?”

Voorzitter: “Met 24 stemmen voor, blijft de rol van de Koningin staan. We gaan over tot de orde van de dag”.

Het echte nieuwe werken.

Nieuwe werken Vandaag de laatste bijeenkomsten van de Week van het Nieuwe Werken. Een promotiecampagne om het nieuwe werken op te stoten in de vaart der volkeren. Voor wie het nog niet weet: het nieuwe werken betekent werken wanneer je wil en waar je wil.

Het heeft allerlei voordelen. Mensen kunnen files ontlopen, kunnen werk en zorg voor de kinderen combineren, minder werkplekken in kantoren, meer arbeidsvreugde. Goed voor milieu, kostenbesparing voor de werkgever en meer tevreden werknemers.
De nadelen maken veel mensen nog zo huiverig dat dit nieuwe ideaal niet op grote schaal al is ingevoerd. Hoe weet een werkgever dat iemand thuis niet uit zijn neus zit te peuteren? De ict-voorzieningen moeten worden aangepast. En sommige werknemers denken de gezelligheid van de collega’s te missen.

Voorlopig komt men niet veel verder dan flexwerken en neo-kantoortuinen. Flexwerken wordt in mijn organisatie verkocht als een manier om collega’s die van diversiteit houden, de kans te bieden wisselende werkzaamheden aan te bieden. Het is echter een middel geworden om de gaten te vullen, die zijn ontstaan nadat door bezuinigingen collega’s zijn ontslagen en invalkrachten niet meer mogen worden ingezet. Ook de collega’s die niet zo’n behoefte aan diversiteit, hebben worden gedwongen te flexwerken. Verkeerde toepassing van een ideaal.
En ja, niet elk kantoor, niet elke stoel is 24 uur per dag bezet. Maar om dan maar alle werkplekken te verzamelen in een grote hal, opgeleukt met planten, een aquarium en een koffiebar? Je moet dan elke keer onthouden de foto van je gezin mee te nemen, waarmee je jouw plek een eigen tintje gaf.

Het nieuwe werken is vooralsnog een middel om besparingen door te voeren. Besparingen op kosten, op milieu en energie. Het moet ook goedkoop worden ingevoerd, dus komen alleen die baantjes in aanmerking die het minste kosten aan veranderingen in infrastructuur en werkroosters.
Lopende bandwerk past niet in de huidige opvattingen van het nieuwe werken. Leuk als de werknemers een deel van de tijd thuis werken, maar het is niet te doen om de lopende band van de fabriek naar ieders huis te leiden. En we zitten ook niet te wachten op een vuilnisman, die de troep pas ophaalt als hij klaar is met het verzorgen en naar school brengen van zijn kinderen.
Het nieuwe werken is dus alleen voor dat deel der werkenden, dat toch al een comfortabele bureaustoel onder de kont heeft. Creëren we zo niet een nieuwe elite onder de werknemers?

Werken wanneer en waar je wil. Waarom wordt dat principe gekoppeld aan kostenbesparingen en reorganisaties? Waarom kan dat principe niet op zichzelf staan en voor iedereen gelden? Het lijkt mij tenslotte een ideaal dat iedereen wel wil naleven. Eigenlijk zou het echte nieuwe werken niet alleen over wanneer en waar moeten gaan, maar ook over wat. Het werk doen dat je wil.

Dat wordt een rommel, natuurlijk. Ik verwacht niet dat iedereen brood gaat bakken. Bovendien ontstaat er dan een tekort aan kaasmakers. Wat wel kan, is het nieuwe werken in handen van de werkenden leggen. Laat het de mensen op de werkvloer zelf bepalen. Er zijn experimenten bekend waar het uitstekend ging, als mensen zelf de dienstroosters samenstelden.
In de positieve psychologie (zie mijn gastlog op GeenCommentaar) kent men één factor, die mensen tot bevlogen, dus productieve werknemers maakt. Autonomie. Zelfbeschikking over je eigen werk. De term werknemers zou veranderd moeten worden in werkhebbers. Mensen hebben werk aan te bieden. Dat waar ze goed in zijn en dat wat ze graag doen. Bovendien hebben ze zelf prima ideeën over de inrichting van de werkplek, over milieubesparende oplossingen, over kostenbesparingen.

Het echte nieuwe werken is de volledig autonomie van hen die werken.

Is zelfregulering effectief?

Zelfregulering Ongeruste ouders in Utrecht halen opgelucht adem. De Reclame Code Commissie oordeelde dat bierreclame niet is toegestaan bij het sportveld waar hun kinderen spelen. Omdat meer dan een kwart van de toeschouwers uit minderjarigen bestaat, was de bierreclame in strijd was met de Reclame Code.

Leuk dat de ouders en de Reclame Code Commissie een succesje boeken. Ik vroeg me af: helpen zulke uitspraken wel? Wat is het succes van zelfregulerende zaken als de Reclame Code?
De bierreclame is inmiddels verwijderd, dus ja, wat dat betreft heeft zelfregulering geholpen. Je vraagt je wel af waarom de sportclub en de bierbrouwer vooraf niet even de gedragscode over alcoholreclame rond sportvelden er op na geslagen hebben. Nu heeft het alleen maar tot vervelende reclame geleid.

Leiden zelfregulerende gedragscodes ook tot de maatschappelijk gewenste effecten? In dit geval: zet de jeugd het minder op een zuipen? In een tijd waarin plan-do-check-act cyclussen gemeengoed zijn, zal er dus makkelijk een antwoord op die vraag gevonden kunnen worden.
Niet dus. Er wordt wel veel meer onderzoek gedaan naar de invloed van reclame op de jeugd, maar nauwelijks naar effecten van gedragscodes voor alcoholleveranciers, snoepventers en vetverkopers.

De STIVA, de Stichting Verantwoord Alcoholgebruik, opgericht door de gezamenlijke producenten en importeurs van drank, stelt dat jongeren
wel minder zijn gaan drinken. De club bestreed een onderzoek naar de invloed van alcoholreclame tijdens het EK voetbal van 2008. De TU Twente had wat jongeren gevraagd of de drankreclame hen wat deed en concludeerde dat ze er best wel gevoelig voor waren.
Dat onderzoek werd verricht in opdracht van STAP, het Nederlands Instituut voor alcoholbeleid. Ook al zou STIVA gelijk hebben en er minder jongeren drinken, volgens STAP drinken ze dan wel stevig. Het aantal kids met alcoholvergiftiging is toegenomen.

Van de Reclame Code Commissie wordt je niet wijzer. Daar zijn alleen de uitspraken te vinden, die naar aanleiding van klachten zijn gedaan. Geen gegevens over de impact van de commissie, wat betreft de gewenste maatschappelijke resultaten.
Maar waarom niet? De Stichting Reclame Code is tenslotte opgericht door adverteerders, reclamebureaus en media. Bedoeld om verantwoord reclame maken te bevorderen. Okee, dat is een wat ander doel dan jongeren redden van de drank. Toch denken overheid en bezorgde ouders dat verantwoorde reclame kan bijdragen aan een gezonde opvoeding. Een onderzoek dat die stelling bewijst, komt toch ten goede aan de gezamenlijke adverteerders en hun eigen gedragscodes?
Het feit dat de Reclame Code Commissie het redelijk druk heeft, zegt iets over het beperkte effect van de preventieve werking die gedragscodes beogen. Misschien dat daarom nog geen grondige evaluatie heeft plaatsgevonden?

In Europees verband wordt er nog nader op gestudeerd. De
voorlopige conclusies (pdf!) zijn dat de lidstaten wel geloven in positieve effecten van zelfregulering, maar echte bewijzen over het verband tussen zelfregulering en maatschappelijke resultaten zijn er niet.

Nu staat drank en jeugd centraal in dit artikel, maar gedragscodes vinden we tegenwoordig op alle terreinen. Maar nergens iets te vinden over de effecten op de samenleving. De vraag is relevanter dan ooit, want de komende vier jaar worden we geregeerd door een kabinet dat sterk in zelfregulering gelooft.
Misschien heb ik nog niet ver genoeg gezocht. Wie kent een voorbeeld van een grondig geëvalueerde gedragscode en wat waren dan de bevindingen? Is er in het woud van gedragscode ergens een bloeiend boompje te vinden of is het allemaal dood hout?