Auteursarchief: Klokwerk

De burger als blusdeken

De burger als blusdeken De blusdeken voorbij. Minister Ter Horst had vandaag de eer duidelijk te maken waar de verantwoordelijkheden van de overheid ophouden. Op een veiligheidscongres legde ze uit dat de burger niet bij elk wissewasje een beroep moet doen op de overheid. Dat is ook niet handig, zo zegt ze, want als er ergens een ramp plaatsvindt zijn de burgers eerder ter plaatse dan de overheid. Dus de burger moet dan niet met de armen over elkaar wachten op overheidsdiensten. Jawel, eerst 112 bellen, maar dan de handen uit de mouwen.

Gelukkig zijn er, zo memoreert Ter Horst, al veel burgers die hun verantwoordelijkheid nemen: “Kijk naar onze vrijwillige brandweer. Het is geweldig om te zien hoe al decennia lang, vaak van grootvader op vader op zoon en soms dochter, hele families zich inzetten om naast hun baan, als vrijwilliger bij de brandweer op te treden en met gevaar voor eigen leven vaak brandende panden in te gaan om mensenlevens te redden. Er is dus een groot potentieel dat we meer kunnen benutten. Ten eerste in een actieve deelnemende rol en ten tweede in een zelfredzame rol“.

In Nederland hebben we zo'n 22.000 van die actieve, deelnemende en zelfredzame burgers. Een deel daarvan trok vandaag naar Den Haag. De VBV (Vakvereniging van brandweervrijwilligers) is niet zo blij met de beperking die de VNG (Vereniging Nederlandse Gemeenten) hen oplegt bij de onderhandelingen over een nieuwe CAO. De vrijwilligers willen actief deelnemen en eisen een plaatsje aan de onderhandelingstafel, de VNG vindt dat dit om formele redenen niet kan. De CAO-besprekingen gaan niet alleen over de brandweerlieden, maar ook over andere beroepen, bijvoorbeeld de vuilnismannen. Die andere beroepsgroepen worden door de officiële vakbonden vertegenwoordigd.

Dat kan wel zijn, zegt de VBV, maar “De beroepsbonden (ABVAKABO-FNV, CNV-Publieke Zaak, CMHF) kunnen de Brandweer Vrijwilligers natuurlijk niet vertegenwoordigen“. Daarom willen de vrijwilligers rechtstreeks over hun rechtspositie meepraten. “Het kan niet zo zijn dat anderen voor ons beslissen“.

Nou, Ter Horst heeft gelijk. Toonbeeld van actieve deelneming, sterk staaltje zelfredzaamheid.

Nu is de VBV een nog jonge organisatie, waarvan onduidelijk is hoeveel leden zij vertegenwoordigt. Toch hebben zij wel erkenning gekregen van het ministerie van ter Horst, in de vorm van een startsubsidie. Dat vindt Ter Horst voorlopig wel genoeg. In een brief aan de 2e Kamer schrijft zij: “De VBV richt zich derhalve primair op brandweervrijwilligers. De VBV voldoet daarmee op dit moment niet aan de voorwaarden die gesteld worden aan de onderhandelingspartners over de gemeentelijke arbeidsvoorwaarden“. En daarmee steunt zij de VNG.

Daarmee ze ook dat “groot potentieel dat we meer kunnen benutten“, waar ze het in haar speech over had. Want is het niet voorbeeldig dat die vrijwilligers niet alleen vele uren steken in oefeningen, opleidingen en daadwerkelijke brandbestrijding en dan niet te beroerd zijn ook nog eens tijd te steken in de CAO-besprekingen? Dat democratisch potentieel wordt terzijde geschoven.

Gemiste kans. De burger moet wel als blusdeken fungeren, maar over de voorwaarden waaronder dat dient te gebeuren, mag de burger slechts op de tweede plaats een zegje doen. Hoe actief wil de overheid de burger eigenlijk hebben?

Productencrisis

Productencrisis

Er circuleren nogal wat scenario's over de gevolgen van de kredietcrisis voor andere sectoren dan de bankwereld en huizenmarkt.

Een veel gehoord statement is dat de consument, bang geworden door al die financiële onheil, de huishoudbeurzen gesloten houdt. Fabrikanten vrezen omzetdalingen en zelfs het sluiten van complete productielijnen. Dat is dan weer niet goed voor diezelfde consument, want behalve klant is die ook werknemer.

Om de malaise het hoofd te kunnen bieden doen nu ook fabrikanten een beroep op overheidssteun: gesubsidieerde werktijdverkorting. Werknemers tijdelijk in de ww, in de hoop ze op de langere termijn te kunnen behouden.

Minister Donner wil eerst eens onderzoeken hoe hard overheidssteun nodig is. Sommige bedrijven zien dat als welwillendheid van de overheid en dus hebben nu al 36 bedrijven aangekondigd die steun zeker nodig te hebben. De kredietcrisis is een calamiteit, zo zegt men, en dus vallen ze onder de voorwaarden die voor deze uitzonderingsmaatregel gelden. Kernpunt van die voorwaarden: de bedrijven moeten aannemelijk maken dat de nood slechts tijdelijk is en dat de productie over niet al te lange tijd wel weer hervat kan worden.

Hopelijk leest minister Donner de kleine lettertjes in de paniekberichten. Natuurlijk: er zijn in september ineens minder schoenen verkocht. Maar dat kwam vooral omdat de consument zijn stappers al in de maanden daarvoor had aangeschaft en het mooie nazomerweer de behoefte aan nieuw schoeisel temperde.
En zeker, het lijkt op het eerste gezicht zorgwekkend dat Philips de productie
van scheerapparaten twee weken gaat stilleggen. Maar nadere lezing leert dat Philips dat elk jaar doet om de voorraden op te ruimen en het dit jaar bovendien goed uitkomt omdat de kerstdagen op door-de-weekse dagen vallen.

Voor zover er wel een direct verband lijkt tussen de voorzichtigheid van de consument en te verwachten omzetdalingen, zijn er een paar opvallende keuzes waar te nemen bij veranderingen in de kooplust.
Er lijkt een productencrisis aan te komen. Zoals banken sneuvelden omdat ze te veel risicodragende leningen verstrekten, zo lijken nu fabrieken te sneuvelen die te veel produkten maakten, waar de consument wel zonder kan.

Neem de mobiele telefoons. Producenten verwachten de nodige ellende omdat de consument nu wel twee keer op zijn hoofd zal krabben alvorens een nieuw mobieltje te scoren. Die heeft hij ook niet direct nodig. Slechts 9 procent van de huishoudens had in 2005 geen mobiele aansluiting. Steeds meer mensen bezitten meer dan één gsm. Het is treurig dat de consument zijn verstand hervonden lijkt te hebben dankzij de kredietcrisis, maar de keuze geen mobieltje met lavendelgeur aan zijn arsenaal toe te voegen, is toch ook een gevolg van de productencrisis. Een markt volplempen met nieuwe modelletjes en gadgets: overdaad schaadt.

De autobranche klaagt ook steen en been. Nu is een auto wel wat duurder dan een mobieltje. Maar blijkbaar zakt de behoefte de oude kar in te ruilen voor de fonkelnieuwe auto
van het jaar, nog voor het oude karretje echt levensmoe is. Dan maar wat langer met het Kadetje rondgereden.
Ook hier geldt dat de consument een productencrisis lijkt te veroorzaken. Meer dan één auto voor de deur, snel wisselen van model, de consument gaat even rustiger aan doen.

Het wordt nog even afwachten of dat ook opgaat voor de naderende feestaankopen. Tot nu toe haalden de kado-aankopen voor Sint en Kerst telkens nieuwe records. Maar in de Chinese speelgoedfabriek Smart Union was in juli al sprake van een productencrisis. De productie van feestelijke produkten betekende voor een chinese werknemer al gauw een verdubbeling van het doorsnee maandloontje van 75 euro. Nu moeten steeds meer werknemers onverrichter zake huiswaarts keren. Zonder dat loon wel te verstaan.

Overdaad schaadt. De banken die op een overdaad aan bonussen uit waren hebben als eerste het lid op de neus gekregen. Volgen nu de fabrikanten die een overdaad aan produkten op de markt hebben gegooid?

Muziek voor hart en bloedvaten

Muziek voor hart en bloedvaten

Joggen met de muziek van je mp3-speler in je oren mag dan slecht voor het gehoor zijn, het is uitstekend voor hart en bloedvaten. Waarmee is verklaard waarom hardlopen goed is. De beweging zelf helpt wel, maar met het juiste muziekje op is het gegarandeerd gezond.

De professor die de gezondheid van de lach heeft ontdekt, heeft nu ook uitgedokterd dat leuke muziek je hart ten goede komt. Bij proefpersonen die naar muziek luisterden waar ze vrolijk van werden, gingen de bloedvaten zo'n 26 procent wijder openstaan. Goed voor de doorbloeding, goed voor je hart.

Geen tearjerkers en heartbreakers opzetten, natuurlijk. Misschien zijn liedjes met een lach wel dubbel zo goed. De lach-aria uit de opera Zaïde (Mozart) of de aria uit de Faust van Gounod, waar Bianca Castafiore, de diva uit de Kuifje-strips, zo gelukkig van werd (Ah, je ris de me voir).

De prof, Michael Miller, ontdekte dat de meeste proefpersonen gelukkig werden van countrymuziek. Dat kan bij een Amerikaans onderzoek. Zouden Nederlanders dan een goed hart krijgen van Ilse de Lange of de boerenrock van Normaal?

Nu valt de doorsnee Amerikaanse countrymuziek het meest te vergelijken met wat hier het levenslied wordt genoemd, in Portugal de fado, sommige Franse chansons of Zwitserse alpenliedjes. Niet dat je daar meteen het Zwitserlevengevoel van krijgt, daarvoor passeert er toch teveel leed in al die muziek. Maar blijkbaar vinden ze in de USA een tearjerker van Dolly Parton toch hartverwarmend goed. Of het moet zijn dat je van sommige countrysongs zo vreselijk in de lach schiet, vanwege het hoge campgehalte, dat daarmee het lach-onderzoek van Miller wordt bewezen.

Van welk liedje wordt u zo vrolijk, dat u een aanmerkelijke verbetering van uw bloeddoorstroming waarnam? Noemt u er maximaal drie en volgende week presenteer ik hier de top-chart van gezonde muziek.

Van het pluche gebrand

Van het pluche gebrand Met het vertrek van Ella Vogelaar, stijgt Balkenende in de statistieken. In een onderzoekje hier naar de binnenbrandjes in Balkenende's coalitie, heb ik het smeulende vuurtje binnen de PvdA over het hoofd gezien. Daarmee komt dit jaar het aantal interne conflicten op 12, maar nu is er wel iemand van het pluche gebrand.

Een ander onderzoek wees uit dat de kabinetten Balkenende ook hoog scoren als het gaat om bewindslieden die opstappen na een vertrouwensbreuk. Onderzoekers van de Universiteit van Utrecht kwamen tot concludeerden: “Wanneer je het aantal vertrouwensbreuken afzet tegen het aantal dagen dat een kabinet heeft geregeerd, dan zijn de kabinetten Balkenende zelfs koplopers in de naoorlogse parlementaire geschiedenis. Nog nooit eerder zaten de bewindslieden zo losjes op het pluche“.

Bijna 15 procent van de bewindslieden is niet zo gehecht aan het pluche, als menigeen soms denkt. Van de bijna 750 aangestelde ministers en staatssecretarissen, hebben 106 bewindslieden het centrum van de macht verlaten (meegeteld: het huidige kabinet, het vertrek van Cees van der Knaap in 2007, Aboutaleb die naar Rotterdam gaat en nu dan Ella Vogelaar). Zie een overzicht van 1945 tot 2006 onderaan dit artikel.

Het vertrek van Vogelaar is een geval apart. Het komt erg weinig voor dat bewindslieden opstappen omdat zij zelf bij het parlement, of de 2e Kamer bij hen, een gebrek aan vertrouwen constateren. Nu blijkt er binnen één van de coalitiepartijen het vertrouwen tekort te schieten in één van de eigen bewindslieden. Natuurlijk, de andere twee partijen hebben de nodige kritiek geventileerd jegens Ella Vogelaar, maar niemand van hen heeft haar geadviseerd een andere betrekking te zoeken. Men ligt er verder niet wakker van. De meeste reacties komen neer op een schouderophalend “jammer, maar helaas”.

Maar weinigen maken zich hardop ongerust over het hoge personeelsverloop in de kabinetten onder Balkenende. Zijn roemruchte voorganger Lubbers zag twee keer zoveel bewindslieden weglopen en ook Den Uyl (16x) en Drees (14x) moesten wat vaker de vacaturebank raadplegen. Toch is Balkenende inmiddels Van Agt (11x) voorbij gestreefd en is met 13 opstappers opgerukt naar de vierde plaats.
CDA-mp's hebben in de gehele naoorlogse periode 70 bewindslieden zien vertrekken, de sociaal-democratische mp's kwamen niet verder dan 36 opzeggers. Maar goed, het CDA heeft dan ook bijna continu (mee-)geregeerd. Een stevige klus en waar gehakt wordt, vallen spaanders.

Affaires als die van Vogelaar komen weinig voor. Onrust of niet, meestal zijn er andere redenen waarom bewindslieden hun heil elders zoeken.
Verreweg de meesten zijn vertrokken om persoonlijke redenen, zoals een kwakkelende gezondheid of men had moeite werk en privé-leven te combineren.
Reden numero twee: carrière-ontwikkelingen. Regelmatig vonden bewindslieden een andere functie, als burgemeester of Navo-secretaris, interessanter dan deelname aan een kabinet.
Op de derde plaats komt dan het binnenbrandje. Soms vond men weinig steun bij collega's binnen het kabinet, soms was men het niet langer eens met het uitgestippelde beleid.

Het minst vaak stapten bewindslieden op omdat de 2e Kamer geen vertrouwen meer in ze had. Kamerleden hebben wel degelijk soms keiharde vraagtekens gezet bij bepaalde bewindslieden, maar dat heeft er niet zo vaak toe geleid dat een minister of staatssecretaris dan maar de handboek in de ring gooide. Waarna de Kamer over ging tot de orde van de dag.

De Utrechtse onderzoekers constateerden dat de ene periode wat stormachtiger was dan de andere. De periode Balkenende mag tot de eerste categorie worden gerekend. Nu lijkt de vierde editie steviger op het pluche te zitten dan de voorgaande afleveringen. Of is het vertrek van Vogelaar een voorbode van de uiteindelijke val van dit kabinet?

Tweede Kamer stopt taalgebruik

Tweede Kamer stopt taalgebruik In Trouw staat een fraaie zin: “Een Kamermeerderheid denkt na over een 'morele code' om het taalgebruik in de Kamer een halt toe te roepen”.
Het taalgebruik te stoppen? Wat een oplossing! Gerdi Verbeet wil helder taalgebruik, zodat iedereen een Kamerdebat kan volgen, de SP wil verhullend taalgebruik weren, de SGP wilde bepaalde woorden uit de notulen schrappen en Johan Remkes (VVD) heeft in een brief opgeroepen tot codificering van het Reglement van Orde.

De vergissing in Trouw is eigenlijk een meesterlijke vondst om al die problemen in één klap van tafel te vegen. Meer dan twee regels hoeft die code niet te bevatten.
1. Als een politicus niet aan kan tonen dat zijn informatie 100 procent juist is: hij of zij doet er het zwijgen toe.
2. Als een politicus er ook niet zeker van is of een bepaald term wel door iedereen begrepen zal worden: spreek alleen als een begrijpelijke term voorhanden is.

De eerste regel lost het grootste deel van de parlementaire taalproblemen al op. Een minister zal de Kamer volledig en met de juiste feiten de aanwezigen moeten inlichten en geen kamerlid zal nog genoodzaakt zijn de bewindsman- of vrouw voor leugenaar uit te maken. Mocht iemand desondanks menen dat een minister een tekort aan verstandelijke vermogens heeft, dan is een simpel attestje van een psychiater voldoende om dat te bewijzen.

Ontbreekt het aan zulke bewijslast dan moet die uitlating juist niet uit de notulen worden geschrapt. Daarmee zou het bewijs van het onvermogen van betreffend kamerlid weggemoffeld worden. Een kabinetslid of een parlementariër, die bij herhaling de juistheid van zijn of haar woorden niet kan aantonen, kan wegens misleiding uit de functie worden ontheven.

De tweede regel is wat lastiger. Probeer maar eens vakjargon te vermijden en toch de spreektijd binnen de perken te houden. Maar als elke politicus wat vaker het woordenboek hanteert om begrijpelijke synoniemen op te zoeken, kunnen ze een heel eind komen.

Voorstanders van het vrije woord menen dat in de Kamer alles gezegd moet kunnen worden. Liefhebbers van de felle polemiek zijn bang dat beperkende codes het debat vreselijk saai zullen maken.
Natuurlijk maakt een leuke kwinkslag en een gevatte sneer het voor het publiek aantrekkelijker een debat te volgen. Alleen: wie moet er dan oordelen of de ironie ook inhoudelijk van toepassing is? Dat lijkt mij een iets te zware taak voor de Kamervoorzitter. Die moet toch al oppassen niet op alle slakken zout te leggen, anders zal haar snel verweten worden de democratie de mond te snoeren.

Misschien is het beter het maar te laten zoals het is. Een kamerlid die in schelden vervalt, diskwalificeert zichzelf. Het mag even leuk lijken, maar als de volksvertegenwoordiger daar in volhardt, zullen steeds minder mensen hem of haar serieus nemen.
Zo zal het ook de politicus vergaan die het met de waarheid niet zo nauw neemt. De Kamerleden zullen dan wel hun werk meer dan goed moeten doen. Dat zal soms wat tijd kosten, maar er zijn genoeg nachtelijke overuurtjes bekend waar zelf hele kabinetten sneuvelden, omdat de Kamer het onderste uit de kan eiste.

Dat is dan het ergste wat er kan gebeuren. Niemand hoeft te vrezen voor hardhandige taferelen, die bekend zijn van parlementen in Azië of Spanje. Of zou Johan Remkes wel bang zijn dat het debat in de polder ooit zo uit de hand zal lopen, als zijn VVD-collega Aproot de christelijke partijen weer eens van taliban-praktijken zal beschuldigen?

Aan namaakbaarheid ten onder?

Lego

Het imperium van speelse maakbaarheid heeft problemen. De bouwsteentjes, waarmee zovelen de beginselen der maakbaarheid met de paplepel kregen ingegoten, mogen nu vrijelijk worden nagemaakt.

Lego, het wereldwijd bekende speelgoed, wordt niet langer beschermd door het Europees merkenrecht. Het patent op de blokjes is verstreken en bovendien vindt het Europees Hof van Justitie dat een bouwsteentje geen bescherming behoeft. Een technisch onderdeeltje kan geen beschermd merk zijn.

Hiermee schept het Hof jurisprudentie voor ongebreidelde namaak. Alle octrooivrije onderdelen kunnen nu zonder problemen gebruikt worden om tot elk denkbaar produkt te worden geassembleerd. Goed voor menig portemonnee, want dat scheelt al gauw wat euro's, die anders aan ontwikkeling en innovatie besteed moeten worden. Dodelijk voor veel creativiteit, want wie zou nu nog de moeite nemen zelfs iets te bedenken?

Lego hanteert de slogan “je verbeelding is de enige beperking”. Met de bouwsteentjes kan je hele werelden maken Maar je verbeelding loopt al gauw stuk op de beperking van Lego zelf.
Dat zit 'm niet alleen in dat rechthoekige blokje, dat verantwoordelijk mag worden geacht voor hele generaties die slechts binnen vastomlijnde kaders kunnen denken. Dat zit 'm ook in de kant-en-klare pakketten die Lego aanbiedt om miniatuurweergaven van talloze bekende werkelijkheidjes te maken. Lego mag dan tegen namaak zijn, zelf schuwen ze dat concept helemaal niet.

Lego meent, behalve een bijdrage te leveren aan de pedagogische ontwikkeling van de jeugd, ook volwassenen stapelgewijs bij te staan. Managers en beleidsmakers kunnen speels vergaderen met Lego Serious Play. Er is in Nederland een bedrijf dat de KLM, Rijkswaterstaat en zelfs de GGD helpt haar identiteit met Lego te ontdekken. Da's mooi: haal het speelse kind in de mens naar boven, toch?

Nee, de beperkingen van Lego zijn zelfs een octopus bekend. Dat Lego nu door jan-en-alleman mag worden nagemaakt is niet zo best. Zo krijgen we nooit het idee de wereld uit dat alles alleen maakbaar is, zolang we maar als rechthoekige blokjes aan elkaar gehecht zijn.

Waterschapsparticipatie

Waterschapsparticipatie

Donderdag wordt u geacht uw burgerplicht te doen bij de waterschapsverkiezingen. Deze keer in nieuwe stijl. Voor het eerst doen ook politieke partijen mee.
De nieuwe stijl is in het leven geroepen om, onder de noemer “burgerparticipatie”, het waterschap dichter bij de burger te brengen. Of omgekeerd, da's niet helemaal duidelijk.

Dat de burger tot nu toe zich amper geroepen voelde een stem in het kapittel van zijn kraanwater te hebben, lag vooral aan de manier waarop waterschappen en verkiezingen waren georganiseerd. Dat is bij rijk, provincie en gemeente wel anders, dus als je bij deze ook politieke partijen laat meedoen, dan zal de burger ineens wel veel meer geïnteresseerd zijn.
Met die gedachte in het hoofd, stemde de 2e Kamer voor een wetswijziging en de waterschapsverkiezingen nieuwe stijl waren een feit. Doel: een grotere burgerparticipatie bij het waterschap.

Even los van de zin of de onzin van verkiezingen voor zulke uitvoerende organen, wil ik hier eens bekijken wat het waterschap eigenlijk aan burgerparticipatie doet, in vergelijking met, bijvoorbeeld, een gemeente. Die vergelijking pas ik toe omdat mijn eigen waterschap stelt dat de dijkgraaf te vergelijken valt met de burgemeester van een gemeente, de heemraden met de wethouders en de rest van het dagelijks bestuur met een gemeenteraad.

Nu doet het waterschap veel dingen, waarbij een participerende burger alleen maar in de weg zou lopen. Het houdt water op peil, letterlijk en kwalitatief. Een dijk aanleggen en onderhouden moet je aan vaklui overlaten. Het drinkwater schoonhouden ook. Hooguit zou de burger zich meer kunnen bemoeien met het waterbeheer. Wanneer moet een stuk polder, wegens problemen met overtollig rivier- en regenwater, of welke sloot mag worden gedempt om er een recreatief voetpad van te maken?
Maar ook dat zijn zaken die zorgvuldig moeten gebeuren en die de burger dus graag aan ingenieurs overlaat.

Toch kunnen de ingezetenen van een waterschap al op verschillende manieren participeren. Net zoals andere overheden houdt men regelmatig hoorzittingen over tal van kwesties. Bovendien laat een waterschap zich bijstaan door commissies, te vergelijken met gemeenteraadcommissies en waar ook de waterschapburger in plaats kan nemen.

De burger kan ook heel praktisch meedoen. Neem de dijkschouw. Twee keer per jaar worden de dijken gecontroleerd. Onder leiding van de schouwmeester gaan deskundige ambtenaren en vrijwilligers kijken of alles nog in orde is. Het dijkleger, noemt men dat. Ook bij dreigende watersnood, gaat dat leger de dijken bewaken. Heel praktische participatie.

Ook kan de burger zelf melden dat hij een zwak plekje in een dijk of kade heeft gezien, evenals dode vissen in de sloot of te hard varende boten die een gevaar voor de waterkant kunnen betekenen.

Het lijkt dus al aardig wat, maar het valt niet te vergelijken met de participatiemogelijkheden die gemeenten er op na houden: wijk- en dorpsraden in alle maten en soorten, buurtpanels, stadsdeelbesturen, dialoogdagen, de mogelijkheid tot een burgerinitiatief en zelfs, op nog veel te bescheiden schaal, directe invloed op besteding van geld (het burgerbudget).

Het Rijk heeft een Participatieprijs ingesteld om de kleinere overheden te stimuleren de gewenste participatie tot grote hoogten op te stuwen.
Tot op heden is er nog geen waterschap genomineerd geweest, laat staan in de prijzen gevallen. Daar ligt dus nog heel wat terrein braak, zou je zeggen.
Een betrokken waterschapsburger gaat wellicht anders tegen bepaalde zaken aankijken, als hij vanuit het water sommige zaken beschouwt.

Voorbeeldje: een terras aan een stadskade of bij een parkje van een vinexwijk is een gemeentelijke kwestie. Burgers kunnen van hun lokale participatiemogelijkheden gebruik maken en zullen in dit geval eerder gefocussed zijn op hoe het er moet uitzien of op de eventuele overlast.

Maar stel je bent participerende waterschapsburger en je constateert dat het gemaal vaker moet worden schoongemaakt omdat er peuken, servetten en plastic bierglazen in terechtkomen? Of omdat de kwaliteit van het water achteruitgaat om dat jan-en-alleman, op een zonnige dag, de blote poten in het wijkwater laat bungelen?

Kortom, je moet er bij betrokken zijn, wil je er ook wat van kunnen weten. En die kennis zou misschien je mening over gevolgen van gemeentebeleid kunnen veranderen.

Wat denkt u? Ziet u participatiemogelijkheden bij de waterschappen?

De boosheid van de macht

De boosheid van de macht

Het CDA congres zit er op, de toekomst is weer vastgelegd en men gaat weer aan het werk. In dit artikel en in dat gastlogje, heb ik iets geschreven over de dialoog die het CDA met de samenleving voert. Dat moet ik even rechtzetten, want ik heb een woordje over het hoofd gezien. Het CDA voert geen dialoog, het CDA gaat het debat aan.

Da's heel wat anders. Men voelt zich sterk genoeg in een debat de normen en waarden te verdedigen die het CDA zo graag door heel de gemeenschap ziet overgenomen. Al die mopperende Limburgse kroegbazen die hun boterham in het rookverbod zien opgaan, al suffe blowers die individuele vrijplaatsen zien verdwijnen, zelfs al die critici binnen het CDA die hun partij te weinig zien schitteren in de media, kunnen rekenen op een stevig debat onder leiding van een boze Balkenende.

Zijn gezinsleven, hoeksteen van een goed functionerende MP, ligt aardig aan grabbels. Want hij heeft het vreselijk druk, achter de schermen. Of we daar eens een beetje rekening mee willen houden?

Voor wie zich afvraagt met welke legitimiteit Balkenende zo hoog uit het van de torentje blaast, even een geheugenopfrisser.

Vanaf 1945 hebben 27 kabinetten dit land bestuurd. Van christelijke huize hebben 22 informateurs en 26 formateurs 10 minister-presidenten in het zadel geholpen en nam men deel aan 25 kabinetten.

Men zwalkte 13 keer aan de rechterkant van het politieke spectrum, 6 keer avontuurde men ter linkerzijde en ook 6 keer hield men meer het midden.

Slecht 2 keer stond het CDA buitenspel, maar ook mocht men het slechts 2 keer geheel op eigen kracht doen (zie hier een overzichtje, xls-document, met dank aan Wikipedia).

Dat het CDA een voorkeur heeft voor samenwerking met de liberalen is opvallend, omdat bij 6 van de 13 kabibetscrissen de liberalen de trigger waren. Twee keer kwam de val uit eigen hoek en 3 keer waren sociaaldemocraten de oorzaak.

De arrogantie van de CDA-macht is historisch verantwoord. Altijd te klein om het alleen voor het zeggen te hebben, maar groot genoeg om altijd de baas te spelen. Met dank aan de kiezers, die dat ook mogelijk hebben gemaakt. En natuurlijk dank aan de verdeeldheid onder alle overige partijen.

Met zo'n geschiedenis en god aan je zijde, is het begrijpelijk dat men andersdenkenden als klagers afschildert.

Op het CDA-congres hield Balkenende zijn
gehoor voor (pdf'je) dat het nu op aanpakken aankomt. De tijd van aanmodderen is voorbij, de spades moeten de grond in!
Daar is men al druk mee bezig. In een reactie op een
Sargasso-artikel over één van de CDA-doelen, presenteerde Perik al een leuke lijst met wapenfeiten:
De ID-plicht (Donner), de registratie van medische gegevens (Klink), de abortuscoaching (Rouvoet), het rookverbod in private bijeenkomsten (Klink), komend verbod op gereguleerd cannabis-gebruik (Van Geel), religie in het openbare onderwijs (Van der Hoeven en Marcouch), internetbewaarplicht (Hirsch Ballin), de cartoonistenrel (Hirsch Ballin), de overheid als opvoeder (Rouvoet), de sexregels (vandaag weer, Rouvoet), De regeling ‘Ruimte voor De Lange Tenen Gods’ (voorstel art 137c, Hirsch Ballin) en tot slot de stelling dat een religieuze overtuiging zwaarder telt dan een niet religieuze overtuiging en dus wettelijk beter beschermd moet worden (opnieuw, art 137c, Hirsch Ballin).

Waarom is het CDA toch zo boos op ons?

Het CDA in dialoog bijeen

Het CDA in dialoog bijeen

Samen sta je sterk. Een slogan die vooral door socialisten is gebruikt, maar die tot in finesses wordt beheerst door het CDA.

Lang voor die partij een Collectief Dogmatische Appèlgroep werd, verenigden gelovigen met politieke ambities zich in samenwerking. Toen ons kiesstelsel nog in de kinderschoenen stond, schaarden gereformeerden en katholieken zich eendrachtig achter het doel openbaar en bijzonder onderwijs van gelijke rechten te voorzien. Nu, negentig jaar later, werkt men samen om elk denkbaar maatschappelijk terrein van christelijke normen en waarden te voorzien.

De geschiedenis van het CDA is er een van afsplitsingen en fusies. Onenigheid en verbroedering wisselden elkaar de hele historie af. Met regelmaat werd men uit elkaar gedreven door verschillende opvattingen over hoe je van de bijbel nou politiek moest maken. Maar met een zelfde regelmaat sloeg men de handen ook weer ineen, teneinde genoeg kracht te verzamelen om enige macht van betekenis te behouden.

De ARP, de eerste parlementaire partij, heeft sinds de oprichting zeker zes keer broeder en zusters de gelederen zien verlaten. Eén afsplitsing leidde tot de VAR (Vrije Anti-revolutionaire partij), die de voorloper was van de CHU (Christelijke Historische Unie). Maar nu zitten ARP en CHU alweer 28 jaar saamhorig bijeen in het CDA. En met latere afgesplitste geloofsbroeders (GPV en RPF) werkt men nu zelfs samen in het huidige kabinet. GPV en RPF hebben in 1975 een eigen collectiefje gesmeed: de CU van Rouvoet.

Hoewel de katholieken veel later tot een landelijke politieke partij wisten te komen, hebben ze de christelijke samenwerking altijd gedomineerd. Ze hadden wat minder last van afsplitsingen en die paar dwalenden waren nooit zo'n lang leven beschoren, dat ze van genoeg betekenis waren om ze weer tot de roomse kudde terug te roepen (zie hier de geschiedenis van het CDA en klik-je-link voor verdere historie).

Vandaag, 8 november, is het CDA in dialoog bijeen. Het najaarscongres is volop aan de gang en weer rollen de meningsverschillen over tafel.
Minister Klink stelde voor een versoepeling van
het rookverbod te onderzoeken, het congres heeft dat inmiddels verworpen.
Fractievoorzitter van Geel wil
de coffeeshops geheel van de kaart vegen, staatssecretaris Timmermans vindt dat geen goed idee.
Van Geel vindt het verder niet van pas komen om
de koopkracht te repareren als die door de kredietcrisis in de knel komt. Dat is een heel andere stelling dan het CDA verkondigt in hun visie op de toekomst: inkomenszekerheid bieden via sociale zekerheid, die toereikend moet zijn om met perspectief te kunnen leven. Mensen moeten immers volwaardig kunnen meedoen aan de samenleving.

De CDA-jongeren roeren zich ook. Die moet je wel aan het woord laten, want de jeugd heeft de toekomst, nietwaar?
De
CDA-jeugd heeft een conflict met de oudere generatie: ze vinden het CDA eigenlijk nog veel te soepel, zeg maar, te links. Ze halen zelfs een oude ambitie van stal en poetsen die wat op. Streden hun historische voorgangers voor gelijkberechtiging van openbaar en bijzonder onderwijs, de CDA-jongeren eisen nu een eigen universiteit waar ze recht in de leer worden onderwezen. De huidige universiteiten hebben het alleen maar over postmodernisme en sociaal-constructivisme. Geef ons alsjeblieft conservatieve schrijvers als Ad Verbrugge en paus Benedictus XVI te lezen, aldus de CDA-jongeren.

In de CDA-dialoog over de toekomst (“Morgen begint vandaag” het centrale thema op het congres), ziet Balkenende zijn rol nog lang niet uitgespeeld. Maar ter rechterzijde klinken kritische geluiden. Hans Hillen vindt dat de premier teveel belang hecht aan een harmonieus samenzijn: “Wie met zijn gezicht naar de harmonie loopt, loopt met zijn rug naar de toekomst”.

Zullen al die onderlinge twisten leiden tot nieuwe afsplitsingen? Zal het gekrakeel het CDA doen wankelen?
Wie daar op hoopt moet niet vergeten dat het CDA heer en meester is in de dialoog met de samenleving. Slechts één keer heeft men niet zo goed geluisterd naar die samenleving en dat was ook de enige keer dat het christelijke verbond van regeringsdeelname werd uitgesloten. Dat duurde slechts een kleine negen jaren ( de kabinetten Kok). Maar verder heeft men altijd het centrum van de macht beheerst.
Vanaf 1945 hebben 10 christelijke minister-presidenten het land geleid (de sociaal-democraten: drie mp's, de liberalen slecht één). En, op twee verkiezingen na, wist men altijd de grootste partij te worden. Soms wat aan de krappe kant en slechts drie glorierijke overwinningen in 1956, 1959 en 1963, maar meestal
genoeg zetels om almachtig te blijven.

Macht smaakt altijd naar meer en dat zal dan ook de reden zijn waarom het CDA zo graag in dialoog met de samenleving wil blijven. Men moet immers op tijd weten of men de principes dan weer eens wat strak, dan weer wat rekkelijk moet hanteren. Zodoende weet men welke coalities het meest geschikt zijn om tot in den eeuwigheid te kunnen regeren.

Update 8 nov.; 22.45 u.: Lees ook deze aardige analyse over de toekomst van het CDA (Volkskrant).

Update 9 nov.
Balkenende eindigde zijn congresspeech met:

Het CDA als partij die er altijd staat.
Rots- en koersvast.
Betrouwbaar, solide en solidair.
Dank u wel.

Die eerste regel klopt, zoals in het artikel is te lezen.
De tweede regel valt wel wat op af te dingen. Tenzij het laveren van rechter- naar linkerzijde onder koersvast moet worden verstaan.
De derde regel geldt alleen intern. Met alle anderen neemt het CDA elk loopje dat ze goeddunkt.
De laatste regel is wel op zin plaats. Je mag het kiezersvolk wel heel hartelijk bedanken, dat je maar één keer in je geschiedenis een pak slaag hebt gehad.

Goede vrijdag.

Vandaag is het de Nationale Goed Nieuwsdag. Een soort Goede Vrijdag dus.

Het goede nieuws is: ik kan niet multi-tasken. Een of ander onderzoek had uitgewezen dat met name mannen daar niet zo goed in zijn.
Wel, in mijn geval blijkt dat te kloppen en nu ben ik met vreugde overladen dat ik ergens bij hoor!

Bij menig onderzoek heb ik dat niet en ik vraag me dan ook regelmatig af of ik wel helemaal normaal ben.
Voor vandaag was ik met twee stukjes bezig. Eentje voor hier en eentje als gastlog op GeenCommentaar. Dat was teveel van het goede en alleen het gastlogje kreeg ik af.

Misschien komt hier later op de dag nog wat. De redaktie van GC heeft gelukkig aangekondigd het gastlogje te zullen plaatsen dus kijkt u daar eens en lees de column van P.J. Cokema.
Ga ik ondertussen verder op jacht naar goed nieuws.